Verdomme, trein wéer gemist. Ik plof neer op het eerste bankje wat ik tegenkom en begin met mijn dagelijkse klaagzang over het OV. Terwijl het perron vol begint te stromen, lopen er twee oude vrouwtjes langs het bankje waar ik zit. Bepakt en bezakt, druk in gesprek en met hun kleine oma-handjes diep in hun jaszakken, zoeken ze naar een plekje om te staan. Zonder te twijfelen staat de jongen naast me op en biedt hij hen zijn plek op de bank aan. Uit beleefdheid weigeren ze te gaan zitten, maar na aandringen schuifelen ze toch langzaam richting het bankje. De jongen kijkt met een tevreden blik en een stiekeme glimlach nog een keer achterom. Ik zie dat m’n trein het station binnen komt rijden en betrap mezelf erop dat ik de hele situatie met een enorme grijns heb zitten bekijken. “Het komt allemaal wel weer goed, Marth”, denk ik lachend. Iets waaraan eigenlijk iedereen zichzelf wat vaker zou moeten herinneren, toch?